Kerlingarfjöll, de 'berg van de oude vrouw'  (juli 2016)


Ik stap in de lijnbus van Reykjavík naar Akureyri. Deze (zomer)lijndienst rijdt over de Kjölur-route en heeft als extra bestemming Kerlingarfjöll, via een tien kilometer lange zijweg. Onderweg stopt de bus langdurig bij de Geysir en Gullfoss, plaatsen waar ik liever niet kom vanwege de grote drukte. Ze zijn onderdelen van de 'Golden Circle' waar ik als reisleider ieder jaar één of meerdere keren kom. Hier heb ik het aantal toeristen en voorzieningen enorm zien groeien.

Na de Gullfoss wordt het mooi, want hier begint de Kjölur-route, samen met de Sprengisandur een van de grote ongeplaveide binnenlandwegen. De Kjölur-route wordt meestal kortweg Kjölur genoemd, naar de enorme spoelzandvlakte tussen de Langjökull en Hofsjökull. Deze twee gletsjers schitteren in de zon. Ik bereik na een busreis van ruim vijf uur de camping van Kerlingarfjöll, gelegen in het dal bij de verzameling hutten. Sinds de zomer van 2016 staat er ook een hotel, dat in komende jaren zal worden uitgebouwd.

Ik ben al ruim twee weken op IJsland en het is iedere dag mooi weer, heel on-IJslands, met veel zon en weinig wind en dat zal op de komende vier wandeldagen in Kerlingarfjöll en Hveravellir zo blijven.


Op een groen hobbeltje naast het punt waar een rivier en een beek samenvloeien, zet ik mijn tent op en geniet liggend even van het geluid van het water. Ik hoor de stenen meerollen in de sterke stroom van de rivier, het klinkt soms of je mensen hoort praten. Het even liggen pakt anders uit, want ik word pas uren later wakker. Het is inmiddels vier uur en nadat ik mijn verlate lunch heb gegeten, ga ik op stap.


Het gebergte in, naar het hooggelegen Hveradalur, een gebied met honderden modderpoelen en stoombronnen en een kokend heet beekje.

Naarmate ik hoger kom wordt het uitzicht op de gletsjers steeds fraaier. Op de hoge rand van Hveradalur aangekomen stoomt en sist het overal. De ryolietbergen zijn mooi gekleurd, het is een wondere wereld waar ik door loop. Ik ben een van de weinige personen die hier nog zijn. Beneden in het dal blijkt een beekje afgedamd en hier neem ik een heerlijk warm bad. Het licht wordt steeds mooier door de lage zon, die nu bijna achter de bergen verdwijnt. Ik ga op de terugweg en zie, weer boven gekomen, hoe de Langjökull in een gouden licht baadt. De lage zon schijnt nog net onder een wolk door. Tegen tienen ben ik terug bij mijn tent en kruip ik voldaan in mijn slaapzak.


De volgende morgen wandel ik, begeleid door de alarmroep en afleidingsmanoeuvres van goud- en bontbekplevieren, door het rivierdal richting Hofsjökull, in de hoop dat ik de vele rivierstromen ergens kan passeren. Steeds weer kom ik bij een veel te diepe stroom. Eén keer doe ik een poging: schoenen en broek uit, maar ik keer terug. Het is te pijnlijk om zonder waterschoenen over de stenen te lopen. Dichter dan hier zal ik de Hofsjökull niet kunnen benaderen en kleine rietganzen, die ik hoopte te gaan zien, komen niet in beeld. Wel veel uitwerpselen, maar de vogels zijn gevlogen.

In de bedding liggen stenen in alle kleuren, rood, rose, geel, groen, zwart, wit. Ze komen allemaal uit het ryolietgebergte Kerlingarfjoll, de oorsprong van deze smeltwaterrivier.

Tussen de waterstromen eet ik mijn lunch en op de terugweg loop ik onder een steile heuvel langs. Ik volg de schapenpaadjes, ideaal. Op één sneeuwveld ligt een groepje schapen te rusten, ze hebben het kennelijk warm. Als ik dichterbij kom staan ze langzaam op en gaan grazen op de groene helling. In de erosiegeulen waar ik steeds doorheen moet groeit veel vrijwel lichtgevend groen mos, met grote rode stukken. Hier staat het mos in bloei.

Om de hoek van de heuvel komt de Langjökull weer in zicht, met een paar gletsjertongen richting Kjölur.


De volgende dag neem ik de lijnbus verder naar Hveravellir, net als Kerlingarfjöll een beschermd natuurgebied. Na een uur rijden zet ik mijn tent op naast een kleine waterval in het warme beekje. In het warme gebied mag je jammer genoeg niet meer kamperen. Hier heb ik jaren geleden gestaan en dan had je een tent met vloerverwarming.

Eerst loop ik eens 'het veld van de hete bronnen', de vertaling van Hveravellir, in en geniet van de tientallen mooi gekleurde en door de geyseriet prachtig gevormde (zwavel)bronnen. Ze hebben namen zoals ze er uit zien of klinken: de Blauwe, Groene en Rode bron; de Fluiter, de Donderende heuvel, de Tweelingbronnen. Het kwetsbare gebied ziet er prachtig uit. Vlak naast het warme bad zijn de rotsen mooi gekleurd door de mineralen in het hete water dat er over stroomt. Na een langdurig warm bad met gezellige gesprekken heb ik heerlijk geslapen.

Vannacht heeft het geregend en de Hofsjökull schemert zo nu en dan tussen de laag hangende wolken. Ik breek weer op en vertrek met de bus naar Reykjavík.